Architectuur vertalen, een vak apart

Zo zouden alle bronteksten moeten zijn: prettig leesbaar en met een flinke dosis vaktermen die ik nog niet eerder tegenkwam in mijn ruim dertigjarige vertaalpraktijk.

Zo wordt zo’n klus van vele duizenden woorden als een heerlijk jachtterrein met de vreemde woorden als het loslopend wild. Mijn elektronische woordenboeken zijn mijn wapens en mijn vertaalsoftware mijn wild-vangnet. Daarin zet ik het gevangen wild onmiddellijk vast, compleet met de vertaling van de hele zin, en ook de term apart, zodat ik die in een toekomstige opdracht van dezelfde of een vergelijkbare klant niet opnieuw hoef op te sporen, te vangen en vast te zetten.

 

Naast onbekende vaktermen zit er ook nogal “wollig en toch zakelijk” taalgebruik in de tekst, maak daar maar eens Engels van dat óók wollig en toch zakelijk is. Voor mij werkt het ‘t beste om even weg te lopen of te kijken van de vertaling en dan, na een half minuutje, weet ik hoe zo’n zin mooi vertaald moet worden. De bouwstijl van de brontekst moet terug te lezen zijn in die van de vertaling, die ook dezelfde sfeer moet uitstralen.

 

Zin voor zin groeit de vertaling uit tot een compleet bouwwerk, waarin al het loslopend wild, tot logische bouwstenen gemaakt, de juiste plaats krijgt. Zelden heeft een zin in het Engels dezelfde woordvolgorde als in het Nederlands, de bouwstenen moeten dus zorgvuldig opnieuw geordend worden.

 

En dan staat de vertaling in de steigers, het dak zit erop en de ruiten erin. Alle zinnen zijn vertaald, eensluidende terminologie is toegepast. Dan gaat de tekst vanuit de vertaalsoftware naar de tekstverwerker. Ik kijk nogmaals kritisch naar alle zinnen en alinea’s, de spelling wordt gecontroleerd, een eventuele typefout wordt hersteld. Ik kijk grondig het hele bouwwerk na en verfraai hier en daar een zin, of haal een herhaling weg die overbodig blijkt. De wanden worden netjes afgewerkt.

 

Vervolgens controleer ik of de layout van de vertaling gelijk is aan die van de brontekst, door deze ernaast te houden. Hier heb ik in veel gevallen geen omkijken naar, maar als de brontekst moest worden geconverteerd vanuit een pdf-bestand, wil dat nog weleens tegenzitten. Dit los ik steeds zo elegant mogelijk op.

 

En dan…. (tromgeroffel…) tadaaa, het bouwwerk kan worden opgeleverd en mijn taak zit erop. Altijd weer een heerlijk moment. Vooral wanneer er een welgemeend en opgetogen “dankjewel!” van de blije klant in de mail verschijnt.

 

Waar of niet waar?

Waar? Nietwaar?
Waar? Nietwaar?

Op de sociale media word ik momenteel opvallend vaak geconfronteerd met het goedbedoelde advies om de waarheid te spreken.

Prachtig, nietwaar?

Nu wil het geval dat ik als rechtgeaarde boogschutter, en tevens als iemand met niet zo’n heel sterk geheugen, altijd de gedachte heb aangehangen dat de waarheid spreken het eenvoudigst is (je hoeft je niet in allerlei kronkels te draaien om geloofwaardig te blijven, je hoeft niet al je leugens náást de waarheid te onthouden).

Ook prachtig, nietwaar?

Toch valt hier wel het een en ander bij aan te tekenen. Momenteel lees ik een boek dat speelt in het India van de negentiende eeuw. Ongelooflijk boeiend boek, dat ik iedereen kan aanraden die van dikke boeken houdt, met een grote dosis geschiedenis en een al even grote dosis scherp waargenomen en beschreven psychologie, en die tevens het Engels goed beheerst – ik weet niet of het boek ooit in vertaling is verschenen. Het heet The Far Pavilions, door M.M. Kaye. De details ga ik niet hier bespreken, dat is niet het doel van deze blog.

Waar ik het wel over wil hebben is dit: In het India van de negentiende eeuw (ik heb geen idee of dit inmiddels veranderd is of niet) sprak het beslist niet vanzelf om altijd de waarheid te spreken. Daarvoor zijn enkele goede redenen aan te voeren:

  • De waarheid kan iemand pijn doen.
  • De waarheid kan mensen verdriet doen.
  • De waarheid kan iemand, of een hele bevolkingsgroep, in gevaar brengen.

Misschien is het soms beter als we de waarheid in bepaalde gevallen voor ons houden. Dat valt voor een boogschutter als ik niet mee, maar met wat oefening moet ook ik het toch een eind schoppen, lijkt me.

Anders is het, wanneer ik in mijn rol van vertaler of tolk aan het werk ben. Daar wordt echt wel van me verwacht dat ik in de ene taal weergeef wat er in de andere taal staat geschreven of wordt gezegd. Toch is er ook hier nog wel een aantekening bij te bedenken. Als het gaat om lokalisatie. Deze term wordt gebezigd door vertaalbureaus die hiermee willen aangeven dat uw tekst niet letterlijk wordt vertaald, maar zodanig wordt herschreven dat hij passend wordt voor het land of de cultuur waarvoor de nieuwe tekst bedoeld is. Dit kan heel ver gaan. Zo ver dat soms de brontekst nauwelijks meer te herkennen is, en van een “vertaling” eigenlijk geen sprake is. Bij een vertaling op juridisch gebied is het van levensbelang om scherp in het oog te houden aan welke jurisprudentie of aan welke wetgeving moet worden gerelateerd: die van het land waar de oorspronkelijke tekst is geschreven, of die van het land waar de vertaling zal worden gebruikt. Met andere woorden: welke “waarheid” is geldig voor het kader van deze tekst?

Zo zie je maar: wat is waar? Wat is niet waar?